De keet ruikt naar koffie en werk. Buiten klinkt het ritme van betonpompen en bouwradio’s, maar binnen is het even stil.
Hassan leunt met zijn handen op de tafel en kijkt naar buiten.
“Zeg Jeroen,” zegt hij, “heb jij dat ook wel eens… dat het allemaal gewoon te veel ruis is? Dat je denkt: ik doe van alles, maar het raakt me niet meer echt?”
Jeroen glimlacht. “Ja. Dat ken ik wel. Vorig jaar had ik precies dat. Alles liep goed, maar vanbinnen liep ik vast. Alsof ik bleef draaien in een systeem dat ik zelf had gebouwd.”
Hassan knikt langzaam. “En wat heb je toen gedaan? Je lijkt nu rustiger, meer… helder.”
Jeroen neemt een slok koffie. “Eerlijk? Ik ben gestopt met vechten tegen mezelf.
Ik dacht altijd dat ik alles moest oplossen — fouten, mensen, mijn eigen gedachten. Maar dat hield me alleen maar vast. Op een gegeven moment was ik gewoon moe van dat gevecht.”
“En toen?” vraagt Hassan.
“Toen kwam er stilte,” zegt Jeroen. “Niet meteen hoor, eerst vooral onrust. Maar toen ik niet meer alles probeerde te controleren, merkte ik iets geks: dingen begonnen vanzelf weer te lopen. Mensen reageerden anders. Ikzelf ook. Er was minder spanning… meer ruimte.”
Hassan fronst. “Dus gewoon loslaten?”
“Niet zomaar ‘loslaten’,” zegt Jeroen. “Meer: stoppen met jezelf straffen voor wat er was. Je ziet de fouten, je leert, maar je blijft niet hangen in angst. En dan zie je ineens dat er nog steeds veel goeds is — in je werk, in mensen, in jezelf.”
Er valt een korte stilte. Buiten klinkt gelach van een ploeg die pauze houdt.
Hassan kijkt naar zijn mok. “Gek eigenlijk,” zegt hij zacht. “We leiden mensen, projecten, hele bouwplaatsen… maar onszelf, dat is nog het lastigst.”
Jeroen knikt. “Ja. Maar misschien begint echt leiderschap daar — bij jezelf.
Als de angst wat stiller wordt, zie je pas wat er wél is. En dan kun je beter bouwen, niet alleen in beton, maar ook in vertrouwen.”